De spelregels van hockey, in de volgorde van een wedstrijd
Hockey speel je elf tegen elf op een veld van 91,40 bij 55 meter, met een stick waarvan je alleen de platte kant mag gebruiken. Een doelpunt telt alleen als een aanvaller de bal binnen de cirkel heeft gespeeld. Een wedstrijd duurt vier kwarten van 17,5 minuut en staat onder leiding van twee scheidsrechters, ieder op een eigen helft. Er zijn drie spelstraffen, de vrije slag, de strafcorner en de strafbal, en welke je krijgt hangt af van de plek op het veld en van opzet. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze tijdens een wedstrijd tegenkomt.
Je hoeft deze pagina niet uit te lezen. Spring naar wat je zoekt:
- Het veld en de cirkel
- Stick, bal en uitrusting
- Teams, wissels en de keeper
- De wedstrijd
- De bal spelen
- De hoge bal
- Afhouden en shadow
- Uit en de hervattingen
- Welke straf waar
- De strafcorner
- Strafbal en shoot-out
- Groen, geel en rood
- De scheidsrechters
- De jeugd
- Het einde van de wedstrijd
Verderop houd je deze lijst bij de hand: klik boven in de balk op Spelregels.
Het veld en de cirkel
Een hockeyveld is 91,40 meter lang en 55 meter breed. De lange lijnen zijn de zijlijnen, de korte de achterlijnen; het stuk achterlijn tussen de doelpalen heet de doellijn. Alle lijnen zijn 75 millimeter breed en horen bij het veld, dus een bal op de lijn is nog in het spel.
Op 22,90 meter van elke achterlijn ligt de 23-meterlijn. Alles tussen die lijn en de achterlijn is het 23-metergebied, de lijn meegerekend. Daarbinnen ligt de cirkel: een recht stuk van 3,66 meter op 14,63 meter van de achterlijn, aan beide kanten doorgetrokken met een kwartcirkel rond de binnenhoek van de doelpaal. Vijf meter buiten de cirkel loopt een stippellijn, en op 6,40 meter voor het midden van de doellijn ligt de strafbalstip.


De cirkel is de belangrijkste lijn van het veld. Een doelpunt telt alleen als een aanvaller de bal binnen de cirkel heeft gespeeld en de bal daarna niet meer buiten de cirkel is geweest. Of een verdediger de bal onderweg raakte, maakt niet uit. Buiten de cirkel bestaat er geen doelpunt, hoe hard de bal ook wordt geslagen.
De stick, de bal en je uitrusting
Een stick heeft een steel en een haak, en is aan de linkerkant plat. Je speelt de bal alleen met die platte kant. Spelen met de bolle kant heet hakken en is altijd een overtreding. De stick moet door een ring van 51 millimeter passen, weegt hoogstens 737 gram en is hoogstens 105 centimeter lang. De bal is rond en hard, weegt 156 tot 163 gram en is wit of een andere afgesproken kleur.
Een bitje en scheen- en enkelbeschermers zijn verplicht; alleen om medische redenen kan de bond daarvan vrijstelling geven. Handschoenen mogen, zolang ze niet veel groter zijn dan je hand. Een masker mag een veldspeler alleen dragen bij het verdedigen van een strafcorner of een strafbal, en gaat daarna weer af.

De teams, de wissels en de keeper
Een team bestaat uit hoogstens zestien spelers: elf in het veld en vijf op de teambank. Elk team speelt met een keeper in het veld, of met elf veldspelers. Kiest een team voor elf veldspelers, dan heeft niemand de rechten van een keeper en draagt niemand bescherming, behalve een masker bij het verdedigen van een strafcorner of strafbal.
Wisselen mag onbeperkt en op ieder moment, met één uitzondering: tussen het toekennen en het voltooien van een strafcorner wordt niet gewisseld; alleen een geblesseerde of weggestuurde keeper van de verdediging mag dan worden vervangen. Bij een wissel gaat de speler eerst het veld af en komt de ander er daarna in, binnen 3 meter van de middenlijn aan de kant van de banken. De tijd loopt door; alleen voor een keeperwissel gaat hij kort stil.
De keeper doet alleen mee binnen het eigen 23-metergebied; de enige uitzondering is het nemen van een strafbal. In de eigen cirkel mag hij de bal met zijn stick, zijn uitrusting of elk deel van zijn lichaam stoppen en wegspelen, alle kanten op, ook over de achterlijn. Buiten de cirkel speelt hij de bal alleen met de stick, net als een veldspeler. Op de bal liggen mag niet, en profiteren van zijn bescherming om gevaarlijk te spelen ook niet.

De wedstrijd: vier kwarten
Een wedstrijd bestaat uit vier kwarten van 17,5 minuut. Na het eerste en het derde kwart is er een pauze van 2 minuten, tussen het tweede en het derde kwart is de rust van 5 minuten. In de Hoofdklasse duurt een kwart 15 minuten en hebben standaardteams 10 minuten rust; op de club is het 17,5 en 5. Blessuretijd bestaat niet: de scheidsrechter kan de tijd stilzetten, bijvoorbeeld bij een blessure of bij een kaart.
Voor de wedstrijd tossen de aanvoerders. Wie wint, kiest de speelrichting in de eerste twee kwarten of de beginslag in de eerste twee kwarten; de andere keuze gaat naar de tegenstander. In het derde kwart wisselen de teams van speelrichting. De beginslag wordt genomen vanaf het midden van de middenlijn, in elke richting, met alle andere spelers op hun eigen helft. Na een doelpunt neemt het team dat het doelpunt tegen kreeg de beginslag.

Wordt het spel onderbroken zonder dat iemand een overtreding maakte, bijvoorbeeld door een blessure, dan gaat het verder met een bully. Twee spelers staan tegenover elkaar met de bal ertussen, elk met het doel dat zij verdedigen aan hun rechterkant, tikken één keer boven de bal met de platte kant tegen elkaars stick, en dan mag iedereen de bal spelen. Een bully wordt niet binnen 15 meter van de achterlijn en niet binnen 5 meter van de cirkel genomen.
De bal spelen: shoot, hakken en gevaar
Je speelt de bal met de platte kant van je stick, en die stick heb je in je hand. Je tilt hem niet over het hoofd van een andere speler en je gebruikt hem niet op een gevaarlijke, bedreigende of intimiderende manier. De bal mag je op elke hoogte stoppen, aannemen en spelen, ook boven je schouder, zolang je dat gecontroleerd doet en het niet gevaarlijk is.
Langs de lijn wordt bij elke bal tegen een voet om shoot geroepen, maar dat is niet altijd een overtreding. Raakt de bal de voet, de hand of een ander lichaamsdeel van een veldspeler, dan wordt er pas gefloten als die speler er voordeel van heeft, of als hij zich met opzet zo opstelde om de bal met zijn lichaam te stoppen. Rolt de bal tegen een been en meteen door naar een tegenstander die er vrij mee verder kan, dan gaat het spel door. Raakt de bal de hand die de stick vasthoudt, terwijl hij anders de stick had geraakt, dan is dat geen overtreding.
Een bal opzettelijk met een slag omhoog spelen mag niet, met één uitzondering: een schot op doel vanuit de cirkel. Gaat de bal bij een slag zonder opzet van de grond en levert dat geen gevaar op, dan is er niets aan de hand. Met een push, een flick of een scoop mag de bal wel omhoog, zolang het veilig is. Een flick of scoop recht op een tegenstander binnen 5 meter is per definitie gevaarlijk.
Gevaarlijk is elke bal waarvoor een tegenstander terecht wegduikt, wegdraait of zijn stick voor zijn gezicht houdt. Het woord terecht is belangrijk: wie theatraal wegspringt voor een bal die een meter langs hem rolt, had geen reden om te ontwijken. De straf voor een gevaarlijke bal ligt op de plek waar de bal werd gespeeld, niet waar iemand wegdook.
De hoge bal en de 5 meter
Komt een hoge bal naar beneden, dan heeft één speler voorrang bij het aannemen: de eerste ontvanger. Wie dat is, wordt bepaald op het hoogste punt van de bal: de speler die dan duidelijk als eerste bij de landingsplek is. Alle tegenstanders blijven 5 meter van die speler vandaan tot hij de bal heeft aangeraakt.

Binnen 5 meter, maar buiten speelafstand, mag een tegenstander de bal onderscheppen als dat veilig gebeurt: de bal wegspelen, niet aannemen, en zonder dat er een duel ontstaat. Is er op het hoogste punt geen duidelijke eerste ontvanger, omdat twee spelers van verschillende teams dicht bij elkaar naar de landingsplek lopen, dan wordt de hoge bal afgefloten: de vrije slag gaat naar het team dat de bal niet omhoog speelde. Stuitert de bal daarna hoog door, dan wordt de situatie opnieuw beoordeeld.
Afhouden, shadow en de duels
Het sleutelbegrip is speelafstand: de afstand waarbinnen een speler de bal kan bereiken om hem te spelen. Een tegenstander die verder weg staat, kan de bal niet spelen, en dan kan hij ook niet worden afgehouden. Afhouden is de bal afschermen tegen een tegenstander die binnen speelafstand is en echt probeert de bal te spelen, of die tegenstander met je lichaam of je stick hinderen.

Wat wel mag: een speler die stilstaat en de bal ontvangt, mag in elke richting staan, ook met zijn rug naar een tegenstander. Een speler met de bal mag zich in alle richtingen bewegen. De grens ligt op twee plaatsen: hij mag niet tegen een tegenstander oplopen, en hij mag niet tussen de bal en een tegenstander gaan staan als die binnen speelafstand is én probeert de bal te spelen. De KNHB voegt daar een richtlijn aan toe: afhouden is een nieuwe, actieve beweging op het moment dat de tegenstander zijn poging doet.
Afhouden kan ook zonder bal. Een speler die voor een tegenstander langs loopt of hem blokkeert zodat die niet bij de bal kan komen, houdt indirect af; op het veld heet dat shadow. Dat geldt ook bij een strafcorner, voor een aanvaller die vlak voor de uitlopende verdedigers langs loopt. Een tegenstander, zijn stick of zijn kleding vastpakken mag niet, en een stick op de stick van een ander leggen heet stickafhouden. Ook ver van de bal mag niemand duwen, vasthouden of hinderen.
De bal uit en de hervattingen
De bal is uit als hij helemaal over de zijlijn of de achterlijn is. Het team dat de bal niet als laatste raakte, hervat. Gaat de bal over de zijlijn, dan gebeurt dat op de plek waar hij over de lijn ging.
Gaat de bal over de achterlijn zonder dat er een doelpunt is, dan zijn er drie gevallen. Speelde een aanvaller de bal eruit, dan hervat de verdediging recht tegenover die plek, hoogstens 15 meter van de achterlijn. Speelde een verdediger de bal er zonder opzet uit, of kaatste de bal van de keeper, dan krijgt de aanval een lange corner op de 23-meterlijn, recht tegenover de plek. Speelde een verdediger de bal met opzet over de eigen achterlijn, dan is het een strafcorner.

Bijna elke hervatting volgt de regels van de vrije slag. De bal ligt stil, tegenstanders staan op minstens 5 meter, en de bal wordt gespeeld met een slag, push, flick of scoop; omhoog mag alleen met een push, flick of scoop. De nemer mag de bal ook zelf meenemen: dat is de self-pass.
In het aanvallende 23-metergebied gelden twee extra regels. Alle spelers staan dan op 5 meter, dus ook de medespelers van de nemer. En de bal mag niet direct de cirkel in: eerst moet hij minstens 5 meter zijn verplaatst, niet per se in één richting, of een verdediger moet hem hebben geraakt.

Welke straf waar: vrije slag, strafcorner of strafbal
Er zijn drie spelstraffen. Welke er komt, hangt af van drie dingen: waar op het veld het gebeurde, of het een aanvaller of een verdediger was, en of het opzettelijk was. In de cirkel komt er een vierde vraag bij: werd er waarschijnlijk een doelpunt mee voorkomen?
Voor een aanvaller maakt de plek niets uit: elke overtreding van een aanvaller levert een vrije slag voor de verdediging op. Een strafcorner of een strafbal bestaat alleen tegen een verdediger.

Er wordt trouwens alleen gefloten als het team dat de overtreding onderging er nadeel van heeft. Loopt het spel juist in het voordeel van dat team door, dan laat de scheidsrechter doorspelen. Dat is geen gunst: voordeel geven is vaak de zwaarste straf voor de overtreder. En een gegeven voordeel wordt niet teruggedraaid als de aanval daarna stukloopt.
De strafcorner
Een strafcorner, op het veld "pc", is de straf voor de verdediging na een overtreding van een verdediger in de eigen cirkel die geen doelpunt voorkomt, na een opzettelijke overtreding in het eigen 23-metergebied, of als een verdediger de bal opzettelijk over de eigen achterlijn speelt. Ook als de bal in de cirkel vast komt te zitten in de kleding of de uitrusting van een verdediger volgt een strafcorner.
Beide teams hebben hoogstens 40 seconden om klaar te staan; de wedstrijdklok loopt door. De scheidsrechter noemt alleen de resterende tijd, 20, 10 en 5 seconden, en telt niet af naar nul. De start is altijd een fluitsignaal. Wie na 40 seconden niet klaarstaat, krijgt een groene kaart; bij een verdediger verdedigt zijn team bovendien met een speler minder.

De bal ligt op de achterlijn in de cirkel, minstens 10 meter van de dichtstbijzijnde doelpaal. De aangever heeft minstens één voet buiten het veld en speelt de bal met een slag of een push, zonder hem met opzet omhoog te spelen. De andere aanvallers staan buiten de cirkel. Hoogstens vijf verdedigers, de keeper meegeteld, staan achter de eigen achterlijn; de overige verdedigers staan achter de middenlijn. Uitlopen mag pas als de bal is gespeeld, niet als de scheidsrechter fluit.
Er kan pas worden gescoord als de bal buiten de cirkel is geweest; daarom stopt een aanvaller de bal net buiten de kop. Is het eerste schot op doel een slag, dan telt een doelpunt alleen als de bal de doellijn passeert op hoogstens 460 millimeter, de hoogte van de plank. Voor een push, flick, scoop of tip-in, en voor elk volgend schot, geldt geen hoogtegrens, zolang het niet gevaarlijk is.
De strafcorner is voorbij bij een doelpunt, bij een vrije slag voor de verdediging, als de bal meer dan 5 meter buiten de cirkel komt, als de bal over de achterlijn gaat zonder dat een nieuwe strafcorner volgt, als een verdediger een overtreding maakt waar geen strafcorner op staat, of als er een strafbal wordt toegekend. Daarna doen de verdedigers hun masker veilig en zo snel mogelijk af.
De strafbal en de shoot-out
Een strafbal is de zwaarste spelstraf en komt er om twee redenen: een verdediger maakt in de eigen cirkel een overtreding waardoor waarschijnlijk een doelpunt wordt voorkomen, of hij maakt daar opzettelijk een overtreding tegen een aanvaller die de bal heeft of kan spelen. Het woord waarschijnlijk doet het werk: een voet op de doellijn die een bal uit het lege doel houdt is een strafbal, dezelfde voet tegen een bal die naar de zijkant van de cirkel rolde een strafcorner.
Bij een strafbal gaat de tijd stil. De bal ligt op de strafbalstip, alle spelers behalve de nemer en de keeper staan buiten het 23-metergebied. De nemer staat voor het fluitsignaal achter de bal en binnen speelafstand; dat is dit seizoen aangescherpt. De keeper staat met beide voeten op de doellijn en verplaatst geen voet voordat de bal is gespeeld. Na het fluitsignaal speelt de nemer de bal in één beweging met een push, flick of scoop, op elke hoogte; een slag mag niet en slepen ook niet. Een rebound bestaat niet.

Valt er geen doelpunt, dan hervat een verdediger met een vrije slag 15 meter voor het midden van de doellijn. Is er wel gescoord, dan volgt de beginslag door het team dat het doelpunt tegen kreeg.
Een shoot-out is geen straf, maar een manier om een winnaar aan te wijzen als een wedstrijd gelijk eindigt en de competitie een beslissing eist. Vijf spelers per team nemen om en om een shoot-out: de bal start op de 23-meterlijn recht voor het doel, de aanvaller staat erbij, de keeper op de doellijn, en na het fluitsignaal hebben ze 8 seconden waarin ze allebei alle kanten op mogen.
Groen, geel en rood
Naast de spelstraf staat de persoonlijke straf voor de speler zelf. Van licht naar zwaar: een vermaning, een groene kaart, een gele kaart en een rode kaart. Een vermaning is mondeling; voor een kaart wordt het spel stilgelegd en gaat de tijd stil totdat de speler het veld heeft verlaten.
- Groen: 2 minuten van het veld, een officiële waarschuwing om het gedrag direct te stoppen.
- Geel: minimaal 5 minuten, en 10 minuten voor een ernstige of fysieke overtreding.
- Rood: de rest van de wedstrijd, en de speler verlaat het veld en de directe omgeving.
- Bij elke groene, gele en rode kaart speelt het team gedurende de straftijd met een speler minder.
- Voor een speler met een tijdstraf mag niet worden gewisseld; zijn plek blijft leeg.
Een tweede kaart in dezelfde wedstrijd is zwaarder. Groen na groen wordt geel met 5 minuten, geel na geel is automatisch rood. De aanvoerder kan twee reeksen hebben, als speler en als aanvoerder, en die tellen niet bij elkaar op. Ook een teambegeleider kan een kaart krijgen: groen is 2 minuten achter de omheining, geel minstens 10 minuten, rood betekent naar het clubhuis. Ook dan speelt het team met een speler minder.
Met meerdere spelers bij de scheidsrechter komen staan heet crowding en is een groene kaart. Één speler mag altijd een gewone vraag stellen. Een wegwerpgebaar, cynisch applaus of hevig protesteren is minimaal groen. Een sliding of andere fysieke actie zonder oog voor de veiligheid van de tegenstander is minimaal geel, en dan de lange van 10 minuten. Na de wedstrijd komen geel en rood op het digitale wedstrijdformulier.
De twee scheidsrechters
Een wedstrijd heeft twee scheidsrechters. Ieder is als eerste verantwoordelijk voor de eigen helft, en op die helft als enige voor de beslissingen over vrije slagen in de cirkel, strafcorners, strafballen en doelpunten. Zien ze iets op de andere helft, dan mogen ze helpen, maar de collega beslist. Fluiten ze vrijwel gelijk, dan beslist degene aan wiens kant van de middenlijn het gebeurde.
De beste plek is meestal vóór en rechts van het aanvallende team, met de middenlijn aan de linkerkant. Tussen de middenlijn en de 23-meterlijn blijft de scheidsrechter bij zijn zijlijn; komt het spel in het 23-metergebied of de cirkel, dan gaat hij dieper het veld in, zo nodig tot in de cirkel. Bij een strafbal staat de scheidsrechter van die helft rechts achter de nemer en de collega op de achterlijn naast het doel.

Na het fluitsignaal volgt het officiële signaal dat bij de beslissing hoort: een arm horizontaal in de speelrichting voor een vrije slag, beide armen naar het doel voor een strafcorner, en een arm naar de strafbalstip met de andere recht omhoog voor een strafbal, wat ook zegt dat de tijd stilstaat. Alle signalen staan op een eigen pagina.

De jeugd speelt anders
Volwassen teams spelen 11 tegen 11. Bij de jeugd wordt in kleinere teams gespeeld en kunnen andere regels gelden. In de categorie O11 is het 9 tegen 9, inclusief keeper, op driekwart van het veld: het doel staat tegen de 23-meterlijn en de cirkel wordt met markers uitgezet. Ook daar zijn het vier kwarten van 17,5 minuut met 2 en 5 minuten pauze.
Bij dat 9 tegen 9 gelden de elftalspelregels, met een paar punten die de KNHB er uitdrukkelijk bij noemt: er wordt actief gefloten bij overtredingen, een overtreding van de verdediging in de cirkel levert een strafcorner op, de lange corner wordt op de 23-meterlijn genomen, bij een vrije slag geldt 5 meter afstand, en in het 23-metergebied moet de bal eerst 5 meter hebben gerold voordat hij de cirkel in mag. Deze wedstrijden worden geleid door twee scheidsrechters met een scheidsrechterskaart.
Voor de jongste jeugd tot en met O10 heeft de KNHB eigen speelvormen met een speelbegeleider in plaats van een scheidsrechter. Wat daar precies geldt, staat per categorie op de site van de KNHB; op deze pagina staan alleen regels die we kunnen onderbouwen.
Het einde van de wedstrijd
Het team met de meeste doelpunten wint; bij evenveel doelpunten is het gelijkspel. Gebeurt er iets vlak voor het einde van een kwart en klinkt het signaal voordat de scheidsrechter heeft gefloten, dan mag de straf alsnog worden opgelegd. Een strafcorner die aan het einde van een kwart is toegekend, wordt nog uitgespeeld, met alles wat eruit voortkomt.
Willen de scheidsrechters over de laatste beslissing overleggen, dan mag dat ook na het eindsignaal, als het meteen gebeurt; daarna laten ze duidelijk zien wat ze hebben besloten. Na afloop zetten ze de uitslag en de gele en rode kaarten op het digitale wedstrijdformulier. Een emotionele discussie op het veld levert niets op; dat gesprek hoort later in het clubhuis.